Galerie Ron Mandos is featured in today's edition of Het Parool Magazine.

Our founder, Ron, was interviewed about our gallery’s philosophy and operations. Thanks to Jan Pieter Ekker for the thoughtful discussion and to Koos Breukel for his excellent portraits.

This article provides a glimpse into our engagement with art and its challenges. We invite you to read the full story in today’s print edition, using the link to the Het Parool website, or scrolling below (in Dutch).

 

Read the Interview on Het Parool's Website

‘Oog in oog met Picasso’s Guernica kwamen de tranen. Een halfuur lang’

Nadat hij zijn zes bloemenzaken had verkocht, voelde Ron Mandos (63) dat zijn toekomst in de kunst lag door het zien van één Picasso. Nu viert hij met zijn galerie een 25-jarig jubileum. ‘Ik kan best chagrijnig worden als ik niks verkoop, maar het gaat hier echt niet alleen maar over geld.’

Ron Mandos zit achter zijn bureau, achterin zijn galerie aan de Prinsengracht. Naast hem hangt een enorme print van de wereldvermaarde Britse kunstenaar Isaac Julien (nummer 5 in de ArtReview Power 100-lijst van meest invloedrijke hedendaagse kunstenaars). Vanuit de belendende ruimte klinkt de betoverende stem van de Amerikaanse zangeres Alice Smith, onderdeel van Juliens tweescherms-filminstallatie Once Again… (Statues Never Die). “Mooi, hè,” zegt Mandos. “Ze heeft gezongen op de opening van Isaacs tentoonstelling in het Bonnefantenmuseum in Maastricht: Onvergetelijk! Ik weet niet hoe vaak ik het intussen al heb gehoord, maar het gaat echt nooit vervelen.”

Het zijn de laatste weken van de tentoonstelling, die onderdeel uitmaakt van zijn jubeljaar: Galerie Ron Mandos bestaat 25 jaar. Eerder dit jaar, tijdens Art Rotterdam, presenteerde Mandos daarom werk van 25 jonge kunstenaars die de afgelopen vijf jaar hebben deelgenomen aan zijn Best of Graduates-programma, een platform dat pas afgestudeerde talenten laat kennismaken met de wereld van galeries, verzamelaars en curatoren. Dit voorjaar toont hij onder de noemer ’25 Years of Galerie Ron Mandos’ twee nieuwe werken van alle kunstenaars die aan zijn galerie zijn verbonden. ‘Als eerbetoon aan de diverse talenten die een cruciale rol hebben gespeeld bij het vormgeven van onze hedendaagse identiteit.’

Nadat galeriedirecteur Sheila Verdegaal (“Ik heb tien medewerkers; dat is best veel voor een Nederlandse galerie”) koffie voor hem heeft neergezet, begint Mandos vanzelf te vertellen wat een galerist zoal doet op een dag. “We beginnen om 10.00 uur, maar ik ben er zelf meestal niet zo vroeg, want ik ga vaak pas laat naar bed. Nee, niet vanwege feestjes of openingen, ik doe mijn research het liefst ‘s avonds of ‘s nachts. En in de ochtend doe ik ook vaak studiobezoeken, alleen of met verzamelaars en potentiële kopers. Wat mij boeit zijn de verhalen van de kunstenaars over hun werk. Met mijn hele team proberen we de denkwijze van de kunstenaars te doorgronden en over te brengen, door waar het maar kan in gesprek te gaan met onze bezoekers.”

Hij neemt een slok van zijn koffie. “Ik vind het wel topsport wat ik doe: we doen ontzettend veel op social media, we organiseren een zondagmiddagprogramma voor onze volgers, de RM Sunday Sessions. We maken flyers en boekjes, er hangen posters in de stad, vlaggen aan de gevel… Sinds 2009 organiseren we in de luwe zomermaanden, als veel andere galeries gesloten zijn, de Best of Graduates-tentoonstelling. Dat is echt een groot succes; vorig jaar heb ik meer dan honderd werken uit Best of Graduates verkocht, en we hebben ministers en staatssecretarissen over de vloer gehad voor de opening en de prijsuitreiking. Het is echt uniek voor een galerie op dit formaat, dat je zo je nek uitsteekt voor jong talent. Daar hebben we met het hele team hard voor gewerkt de afgelopen jaren – ik ben ze daar heel dankbaar voor.”

Waar komt uw passie voor kunst vandaan? Bent u opgegroeid met kunst?

“Ik heb het niet van huis uit meegekregen, als je dat bedoelt. Ik ben de jongste van zes; we waren een soort Von Trapp-familie, maar toen ik veertien was, is mijn vader – hij werkte als timmerman in de bouw – het huis uit gegaan. Ik was een enorme puber en heb hem heel lang niet gezien. Pas later, toen het contact weer was hersteld, ontdekte ik dat hij een heel gevoelige kant had: hij schreef poëzie. En heel behoorlijk. Dat vond ik heel bijzonder.”

“Mijn broers voetbalden altijd, maar ik ging liever met klasgenootjes in museum Boijmans Van Beuningen kijken naar De Mandril van Oskar Kokoschka. En tijdens mijn opleiding aan de Hogeschool voor Muziek en Dans kwam ik meer en meer in aanraking met kunst. Maar halverwege de opleiding zeiden ze: je hoeft niet weg, maar jij gaat nooit het Concertgebouworkest halen. Toen heb ik mijn trompet aan de wilgen gehangen.”

U hebt een lange weg afgelegd, van Rotterdam naar Amsterdam en van de bloemenbranche naar de kunstwereld. Hoe is dat zo gekomen?

“Dat is een lang verhaal, heb je even? Ik kom uit de bloemen. Ik had zes goedlopende bloemenzaken in hartje Rotterdam. Maar op een gegeven moment dacht ik: moet ik er dan tien hebben? In die tijd ging ook de relatie met mijn vriendinnetje uit; ik was een beetje sneu, een beetje zielig, en toen heb ik ze verkocht en voor het avontuur gekozen. Ik kende destijds een Griekse jongen, Dimitris, die met mij een bed & breakfast wilde beginnen op een klein, moeilijk bereikbaar Grieks eiland. Met een grote bibliotheek, mindfulness, instrumenten – ik heb als trompettist nog auditie gedaan bij het Rotterdams conservatorium – plek voor ontspanning, lekker eten, noem maar op. Maar toen puntje bij paaltje kwam, bleek dat Dimitris er nog niet aan toe was. Toen ben ik gaan reizen. Naar Amerika, Brazilië, Thailand, Maleisië – ik had alle tijd en wat centjes.”
De galerie klinkt nog heel ver weg…
Hij lacht. “Rustig, rustig. Tijdens mijn reis belandde ik ook in Spanje. Ik zag daar voor het eerst de schilderijen van El Greco en Goya in het echt, en in het Reina Sofia in Madrid stond ik opeens oog in oog met Picasso’s Guernica. Daar ervoer ik het syndroom van Stendhal (een psychische aandoening die optreedt als iemand volledig overrompeld wordt door de schoonheid van kunst, red.). Tranen, tranen, tranen. Een halfuur lang, echt niet normaal.”

Was het het schilderij of had de staat waarin u verkeerde er ook iets mee te maken?

“Nee, het was de kunst. Het was me ook wat, hoor: dat paard! De politieke lading! En ernaast stonden twee soldaten met een karabijn…” Hij stroopt zijn mouw op: “Kijk, ik krijg nu weer kippenvel. Vanaf dat moment wist ik dat mijn toekomst in de kunstwereld lag.”

 

En toen opende u een galerie?

“Toen ik terugkwam uit Spanje, hadden de huurders van mijn huis in Rotterdam opgezegd. Toen had ik vier etages en dacht ik: wat moet ik hiermee? Mijn nichtje Michelle Mandos, die kunstgeschiedenis heeft gestudeerd en destijds als cultuuradviseur werkte voor de gemeente Schiedam – dat doet ze trouwens nu in Rotterdam – vertelde toen dat ze haar hele leven al droomde van een galerie met onze naam: Galerie Mandos. Zij heeft me op het juiste spoor gezet.”

Vond u het niet ingewikkeld om iets van kunst en kunstenaars te vinden?

“In het begin wel. Als ik een bloemenzaak binnenloop, weet ik meteen of de kwaliteit goed is, maar met kunst vond ik dat wel ingewikkeld. Terwijl het gevoel voor esthetiek best vergelijkbaar is. Het moet goed gemaakt zijn; vakmanschap vind ik heel belangrijk, maar ik heb mijn smaak wel moeten ontwikkelen.”

Had u een voorbeeld?

“De eigenaren van de Rotterdamse MK Galerie, die jarenlange ervaring in de kunstwereld hadden, hebben mij veel nuttige adviezen gegeven. Er was niet zo veel competitie tussen de Rotterdamse galeries; we deden veel samen en we hielpen elkaar.”

“Maar de belangrijkste inspiratiebron waren de Chambres d’Amis, die de vermaarde Vlaamse curator Jan Hoet in de jaren tachtig organiseerde in Gent. Hij bracht internationaal befaamde kunstenaars onder in door bewoners vrijwillig ter beschikking gestelde woningen in de Gentse binnenstad. Dus de kunst was niet in een museale setting te zien, maar bij de mensen thuis, en de werken waren veelal afgstemd op die specifieke plek. Dat was mijn voorbeeld.”

“Mijn eerste show was met Dwight Marica. Die kende ik van Cucosa, een kunstenaarsinitiatief onder de Hofbogen, waar ik af en toe een biertje ging drinken. Dwight vroeg Michael Tedja erbij. Tijdens de opening stond de Beatmobiel van kunstenaar Olaf Mooij op de stoep. De moeders – of tantes, dat weet ik niet meer – van Dwight en Michael hebben roti gemaakt. Er waren meer dan driehonderd bezoeker; het was een enorme happening.”

Verkocht u ook wat?

“Nee, het eerste jaar heb ik niks verkocht. Ik had wel ergens een prijslijstje, maar verkopen was niet mijn belangrijkste doel. De kunstenaars kregen de sleutel en ze mochten doen wat ze maar wilden; een dag voor de opening kwam ik pas kijken.” Hij wijst naar de ruimte die speciaal is gecreëerd voor de filminstallatie van Isaac Julien. “Die voorliefde voor transformatie zit zoals je kunt zien nog steeds in de galerie. Het is niet altijd de standaard witte ruimte, maar iedere keer een andere omgeving. Ik vind het belangrijk dat kunstenaars de vrijheid krijgen om de galerie te transformeren.”

U hebt het eerste jaar niks verkocht?! Dat lijkt me geen houdbaar businessmodel.

Hij lacht: “Dat klopt. Omdat er nog geld uit de bloemenzaak was, was werk verkopen niet direct noodzakelijk. Maar toen het wél gebeurde, was ook dat een eyeopener. De eerste die iets kocht was Joop van Caldenborgh, die zijn kunst later in Museum Voorlinden heeft ondergebracht. De kunstenaar en ik werden bij hem ontvangen, en we zaten de hele middag over kunst te praten. Zo ontdekte ik dat ook zo’n grote ondernemer als Van Caldenborgh echt een passie had voor het verzamelen van kunst. Het gaat niet alleen over geld.”

In die tijd maakte u de overstap van Rotterdam naar Amsterdam.

“In Gay Palace op de Schiedamsesingel – ik was er intussen achter gekomen dat ik op mannen viel – ontmoette ik een jongen uit Amsterdam: Marco. Toen ik hem een week later in Amsterdam ging opzoeken, was ik wat te vroeg, liep ik wat rond door de buurt, en stond ik opeens voor dit pand. Op de deur hing een bordje ‘Te huur’ met een telefoonnummer erbij. Maar het was helemaal geblindeerd, dus ik wist helemaal niet hoe groot het was. Later bleek dat dat het restauratieatelier van het Van Gogh Museum was. Waar wij nu zitten, was een kluis. Die heb ik eruit gesloopt, helaas, want het was natuurlijk best hilarisch geweest om mijn klanten in een kluis te ontvangen. Zo van: ‘Uw kunst is hier meer dan veilig!'”

Afijn, Marco en ik vonden elkaar wel leuk – nog steeds, trouwens – en ik zei: waarom zou ik niet iets beginnen in Amsterdam, dan ben ik dichter bij jou. Daarbij kwam dat ik in Rotterdam bijna nooit wat verkocht. Destijds gold: in Rotterdam wordt het geld verdiend, maar in Amsterdam wordt het uitgegeven.”

Woont u nog in Rotterdam?

“Deels. Ik woon samen met Marco op de Looiersgracht, hier om de hoek. En in Rotterdam heb ik nog steeds een woning boven de galerie, die ik nu aan het verbouwen ben om er een tweede artist-in-residency te openen. Daar komt ook het kantoor van mijn stichting, de Young Blood Foundation.”

Dus u bent een Rotterdammer in Amsterdam?

“Laat is het zo zeggen, want ik vind Amsterdam een geweldige stad: ik heb the best of both cities. Maar als ik ziek ben, ga ik naar Rotterdam en in mijn routeplanner is ‘thuis’ Rotterdam.”

Mandos lijkt even op zijn tong te bijten, maar zegt het toch. “Mijn collega’s – ik noem geen namen – hadden er overigens weinig fiducie in dat ik zou slagen in die enorme ruimte. Die zeiden: ‘We geven hem een jaar, dan is ie weer terug in Rotterdam.’ Maar ik ben hier op mijn plek. Er is hier zoveel. Ik ben begunstiger van het Stedelijk, het Rijks, het Van Gogh, de Rijksakademie, de Ateliers, Opera & Ballet, noem maar op, omdat ik als galeriehouder profiteer van het enorme palet dat de stad te bieden heeft. Het gaat ons goed, dus waarom zou ik dat niet doen?”

U begint erover: er is best wat naijver, toch? Ze vinden u te commercieel. En u wordt Ron Systeemplafond genoemd.

Hij lacht: “Heb je dat ook gehoord? Nu boeit het me niet meer, maar toen ik dat hoorde heb ik hier wel een akoestisch plafond van 40 duizend euro laten plaatsen… Maar goed, er is hier meer kinnesinne dan in Rotterdam. Maar mijn kunstenaars – ik werk al vijftien jaar met Isaac, ik werk al meer dan twintig jaar met Hans Op de Beeck – zijn nog steeds bij me omdat ik goed voor ze verkoop. Dat gaat niet zomaar; er zitten drie mensen op sales, en die zijn de hele dag in touw. Ik kan ook best chagrijnig worden als ik niks verkoop, maar het gaat hier echt niet alleen maar over geld. Het gaat om onze kunstenaars. Dat zijn onze super-vips, want zonder hun supermooie kunst zou ik hier niet zitten.”

Hoe komt u eigenlijk aan uw kunstenaars?

“De eerste waren vooral Rotterdammers: Silvia B., Arthur Kleinjan, Katinka Lampe, Renie Spoelstra, Geert Mul… Hans Op de Beeck zat er ook al snel bij. Hoe? Ik ontmoette hem in 2000 op de Open Dagen van de Rijksakademie en was meteen onder de indruk van zijn prachtige installaties. Isaac Julien ontdekte ik toen ik samen met mijn nichtje op het Rotterdams filmfestival was: ik zag zijn werk en was direct verkocht. Ik ben naar hem toe gegaan en zei: ‘Isaac, ik ben net een galerie begonnen, ik wil jou graag vertegenwoordigen.’ ‘Tuurlijk,’ antwoordde hij, ‘gaan we gerust doen,’ en hij gaf me zijn kaartje. Niks meer van gehoord natuurlijk. Maar ik bleef hem tegenkomen, en toen hij in 2012 een tentoonstelling had in Eye Filmmuseum, raakten we weer aan de praat. Ik vroeg hem of hij de volgende ochtend in de galerie wilde komen ontbijten. Hij is gekomen. En gebleven: dit is zijn vierde show bij ons.”

“We zien heel veel, in Nederland maar ook in de rest van de wereld. Met Lars Been, mijn grote steun en toeverlaat als curator, zag ik vorig jaar in KW in Berlijn werk van de Colombiaanse kunstenaar Karen Lamassonne. Zij komt er ook bij. Komende zomer tonen we haar in een tentoonstelling met andere aanwinsten.”

Op uw site staan meer dan dertig kunstenaars – jong en oud, bekend en onbekend, Nederlands en internationaal, en met verschillende achtergronden en disciplines. Die verkopen vast niet allemaal even goed.

“Dat maakt niet uit, iedereen mag lekker blijven – als ik het maar mooi vind.”

Hebt u nog wensen?

“William Kentridge moet ik hier een keertje hebben. Ik ben een groot bewonderaar van zijn animaties en tekeningen. Die zijn zo intens en vol karakter. Ik heb hem meermaals gesproken over zijn werk, maar als ik dan begin over een mogelijke samenwerking, geeft hij het kaartje van zijn studio en zegt dat ik het met hen moet opnemen. Iedereen wil wat van hem…”

Erwin Olaf maakte wel de overstap.

“Daar was ik heel blij mee; we waren zo aan elkaar gewaagd! Ik ken hem uit het uitgaansleven en dat was altijd dikke pret, maar hij zat goed bij Flatland Gallery van Martin Rogge. Toen schonk Erwin zijn kerncollectie aan het Rijksmuseum en kondigde hij aan dat hij met pensioen ging. Maar vervolgens maakte hij in het Beierse Alpenwoud Im Wald, zijn allereerste serie foto’s waarin de natuur centraal staat. Daar kreeg hij zijn syndroom van Stendhal. Toen ik Erwin daarna weer ontmoette, zei hij: ‘Ron, ik plak er nog tien jaar aan vast en dat ga ik met jou doen, want ik wil eindelijk een keer met een gay galerist werken. We gaan gewoon lol maken.’ En dat hebben we gedaan. We hebben zoveel leuke dingen gedaan. En ook niet onbelangrijk: we hebben zoveel werk verkocht. Ook aan jonge mensen en beginnende verzamelaars. Over een paar weken ga ik naar Madrid voor PHoto‑España, waar een heel mooie show van Erwin komt.”

Hij zucht:

“Het was zo’n kuttijd toen Erwin overleed; we hadden nog zoveel plannen. Maar er komen nog heel erg mooie dingen aan – maar daar mag ik nu nog niks over zeggen.”

Nee?

“Nee.”

Hebt u zelf een grote kunstverzameling?

“Ik heb werk van al mijn kunstenaars. Een deel hangt in Rotterdam, een deel in Amsterdam en een deel is ondergebracht in een opslag. Maar ik verander nog wel eens. Op dit moment hangen er werken van Daniel Arsham en Erwin Olaf boven de bank. En boven ons bed hangt een foto van Sebastiaan Bremer, een Nederlandse jongen die al vroeg naar Amerika is vertrokken, en we hebben daar ook een Hans Op de Beeck en iets van Renie Spoelstra – dat vindt Marco heel mooi.”

Uw partner is vaak aanwezig bij uw openingen. Doet hij ook iets in kunst?

“Nee, hij is strategisch adviseur bij de overheid – of hoe noem je dat: troubleshooter.” Hij lacht: “Na een paar uurtjes is hij meestal wel weer weg, maar hij vindt kunst hartstikke leuk. Morgen gaan we samen naar de opening van de tentoonstelling van Levi van Veluw in Singer Laren.”

Heeft hij iets te zeggen over wat er thuis aan de muur hangt?

“Jazeker. Eigenlijk alles. Ik zou wel meer willen ophangen, want ik ben een alleseter. Marco is veel kritischer; hij wil het een beetje tranquilo.”

Hebt u tot slot nog een advies voor kunstkopers?

“Heel simpel: koop met je hart, dus niet als belegging. En Joop van Caldenborgh – ik noemde hem al, hij is toch een beetje mijn mentor – vertelde me eens dat als er in een galerie tien werken van een kunstenaar hangen, hij er één uitkiest. Als dat dan al is verkocht, koopt hij geen ander werk van die kunstenaar. Dat vind ik sterk: kijk goed, en neem geen genoegen met second best.”